Walvissen uit de Westerschelde

in het

Natuurmuseum Rotterdam

Tentoonstelling verlengd tot en met 12 januari 2020

Foto Ⓒ Natuurhistorisch Museum Rotterdam

De Westerschelde is al jaar en dag bekent als vindplaats van fossiele zeezoogdieren. Maar de ontdekking van een 'hotspot' met een bijzonder hoge concentratie fossiele walvisachtigen heeft het onderzoek in een stroomversnelling gebracht. Er zijn spectaculaire vondsten gedaan, nieuwe soorten beschreven en een groot aantal specimen wacht nog op preparatie en beschrijving. In het Natuurhistorisch Museum Rotterdam worden de vondsten getoond en toegelicht.

Meeststal worden fossielen gevonden in steengroeves, zandzuigerijen of bij de aanleg van wegen. In de Westerschelde liggen ze echter op de bodem van een diepe geul. Geregeld worden er door vissers fossielen naar boven gebracht. Recent is men echter gericht met een boomkor op een aantal plaatsen gaan bemonsteren. Dit heeft veel nieuwe vondsten opgeleverd. Je moet je dan voorstellen dat er dan grote brokken "concretie" in de netten die over de bodem gesleept worden, terecht komen. Als de brokken op het dek gebracht zijn kunnen ze bekeken worden. In deze brokken zitten dan, als men geluk heeft, de botten van fossiele walvissen. Deze moeten vervolgens dan nog uitgeprepareerd worden. Eén plaats bleek bijzonder rijk aan fossielen, de inmiddels fameuse lokatie 6d.

De Westerschelde tijdens het Mioceen
Eén van de eerste vragen die bij fossielen altijd naar voren komt is: "Hoe oud zijn ze?". Van een aantal fossiele walvissen uit de Westerschelde heeft men het geassocieerde sediment onderzocht op het voorkomen van schaaltjes van dinoflagellaten, kleine ééncelligen die in het plankton voorkomen. Uit de gevonden soorten kan men opmaken dat de meeste vondsten stammen uit het boven Mioceen, tussen 7 en 9 miljoen jaar geleden. Wat onmiddelijk opvalt aan de laat Miocene walvisfauna is de rijkdom aan soorten en de relatief kleine afmetingen van de dieren. De huidige walvissen kunnen zeer groot worden. In het Mioceen werden deze afmetingen nog niet bereikt. Tijdens het Mioceen was Nederland bijna geheel bedekt met een subtropische zee. De kustlijn liep in Noord-België en in het westen van Duitsland. Van Nederland stak alleen Zuid-Limburg boven de zee uit.

Natuurhistorisch Museum Rotterdam tentoonstelling fossiele walvissen uit de Westerschelde potvis vinvis De van Dokkum

Foto Ⓒ Natuurhistorisch Museum Rotterdam

De potvissen van de Westerschelde
Tegenwoordig kennen we maar één soort potvis, een reus die van inktvis leeft en die naar gote diepte duikt om deze te bemachtigen. Vroeger waren er verschillende soorten potvissen en waren het echte rovers, te vergelijken met de huidige orka's. De meest beroemde fossiele potvis is wel de Levyathan melvillei, de reuze roofpotvis die beschreven is uit het Mioceen van Peru. Hij was waarschijnlijk het grootste roofdier ooit.
Recent is er een enorme potvistand gevonden op lokatie 6b, vlak voor de kust bij Terneuzen. Deze tand meet maar liefst 28 cm is daarmee even lang als de tanden van Levyatan melvillei. Maar of het ook daadwerkelijk deze soort betreft kan niet met zekerheid worden vast gesteld. Er zijn ook al eerder potvistanden in de Westerschelde gevonden, deze zijn echter duidelijk kleiner en behoren waarschijnlijk tot het geslacht Zygophyseter.

De van Dokkum's dolfijn - Pontoporiidae
De La Plata dolfijn ( Pontoporia blainvillei) is de enige nog levende vertegenwoordiger van de familie Pontoporiidae. Deze kleine dolfijn komt voor in de kustwateren en riviermondingen van Brasilië, Argentinië en Uruguay. Sinds kort heeft de La Plata dolfijn er een Nederlands achterneefje bij, de van Dokkum's dolfijn ( Scaldiporia vandokkumi). Deze nieuwe soort werd beschreven naar een klein maar zeer charmante schedeltje opgevist in de Westerschelde. De schipper was Jan van Dokkum en naar hem is de dolfijn dan ook vernoemd.
Opvallend bij de Pontoporiidae is dat de schedel symmetrisch is, bij alle recente dolfijnen van de familie Delphinidae is de schedel asymmetrisch. Die asymmetrie is vooral aanwezig bij de botten rond de luchtweg. Wij mensen vinden overigens symmetrie mooi en de schedel van Scaldiporia vandokkumi is dat dan ook.

De spitssnuitdolfijnen - Ziphiidae
Er zijn een groot aantal schedels van spitssnuitdolfijnen in de Westerschelde gevonden. De huidige spitssnuitdolfijnen zijn allemaal diepzee duikers die op inktvis jagen. In het Mioceen waren ze ook oppervlakte jagers en de schedels worden gekenmerkt door een spitsvormig velengde snuit (rostrum). In Rotterdam is een zeer fraai exemplaar gevonden in de Westerschelde te zien.

Vindplaatsen van fossiele walvissen in de Westerschelde. 1: Wielingen, 2: Put van Kaloot, 3: Put van Borsselen, 6: De Griete. Naar Post & Reumer (2016).

De eendenbekwalvissen - Cethoteriidae
De Cethoteriidae zijn een uitgestorven groep baleinwalvissen die meer verwant zijn aan de vinvissen dan aan de noordkaper en de Groenlandse walvis. Op een aantal belangrijke punten verschilden de Cethoteriidae van de huidige vinvissen. Allereerst waren ze een stuk kleiner, meestal slechts tussen de 4 en 8 meter lang. Verder verschilden ze in de bouw van de schedel. De Cethoteridae konden de bek niet zover konden openen als de recente vinvissen. Waarschijnlijk voeden zij zich zoals de recente grijze walvis met bodemdieren. Dit jaar heeft men een nieuwe soort kunnen beschrijven naar een bijna complete schedel gevonden op locatie 6d. Hij heeft de naam gekregen Tramatocetus maregermanicum en is te zien op de tentoonstelling.

De vinvissen - Balaenopteridae
De vinvissen zou men ook 'slangebek walvissen' kunnen noemen want net als slangen kunnen de vinvissen hun bek enorm ver opensperren waarbij de onderkaak los van de schedel komt. Dit is een aanpassing aan het 'gulp-feeding' waarbij in één enorme hap een school vis of kril naar binnen wordt gewerkt. Dit heeft bij de vinvissen tot verschillende aanpassingen geleid. Aan de voorkant zijn de twee kaakhelften niet vergroeid maar verbonden door een elastische band. Hierdoor kunnen de onderkaakhelften zelfs uit elkaar bewogen worden waardoor er een nog grotere hap mogelijk is. Verder is er geen gewrichtsvalk tussen de onderkaak en de schedel. Bij de Cethoteriidae is zo'n vlak wel aanwezig. In de Westerschelde zijn verschillende schedels van vinvissen gevonden waaronder een zeer fraaie, bijna 1 meter grootte schedel van lokatie 6d. De meesten vondsten zijn van nog onbekende soorten en wachten op beschrijving.

Overige vondsten
Bijzonder fraai zijn een aantal grote wervels van een reuzenhaai ( Cetorhinus sp). De geschatte lengte van dit dier is maar liefst 12 tot 18 meter!! Daarnaast is er een stuk van een rugschild van een lederschildpad ( Psephophorus polygonus) en zijn er botten van de schedel van een grote maanvis ( Molidae) gevonden. En dit alles is te zien in Rotterdam !!

Met al deze vondsten is de Westerschelde één van de beste gebieden voor fossiele walvisachtigen in Europa geworden. Het is verheugend dat er aktief verzameld en beschreven wordt. En wij hopen op nog veel bijzondere vondsten.

Literatuur

Websites